’Jongeren sterker maken om de samenleving te veranderen’

Artikel geplaatst 19 april 2013 Print Friendly

'Jongeren sterker maken om de samenleving te veranderen'

Mieke Nolf van ’Uit De Marge’ nam in september 2012 deel aan de Volksuniversiteit van de Vierde Wereld rond het thema ’Een toekomst voor alle jongeren’. Stagiair sociaal-cultureel werk Dries Vastiau en medestandster Sara Philips zochten haar opnieuw op voor een uitgebreid interview.

Kan je uitleggen wie je bent, wat je doet en op welke manier je actief bent met jongeren?
Ik ben Mieke Nolf, stafmedewerker bij ’Uit De Marge’, een ondersteuningsorganisatie voor maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren. Ik ondersteun dus jeugdwerkingen en jeugdwerkers in intervisie, vorming en opleiding. Een ander belangrijk deel is alles dat te maken heeft met vertegenwoordiging en lobbywerk (vb. Vlaamse jeugdraad). Een ander luik is een stuk de brug vormen tussen de academische wereld en de praktijk. Een laatste deel is maatschappelijke en politieke vorming, dat noemt ’Koploper’ wat is ontstaan in Brussel. Heel wat verenigingen werken aan participatie en hebben een aanbod maar hebben niet echt een beleid.

We willen er voor zorgen dat jongeren meer zelf aan de slag kunnen gaan (vb. bij jeugdraad). We willen oudere jongeren vorming geven en hen zo zelf wat leiderschap geven in een bredere context (buurtcontext). We hebben een beleid uitgewerkt waarbij voor de helft aan maatschappelijke vorming word gedaan (jongeren gaan bijv. op vormingsweekend) en het andere half jaar staat in het belang van een project uitvoeren. We willen dat verspreiden over Vlaanderen, bijv. in Mechelen en Lokeren, de context is daar natuurlijk anders dan in
Brussel. Elke plaats kan er dus zijn eigen manier van werken aan geven.

Met wie werk je, kan je hier iets meer over zeggen?
We werken altijd met maatschappelijk kwetsbare jongeren, het gaat over een socio-economische groep, wat een breed concept is. Zo had men vroeger de arbeidersgroep die de KAJ bereikte, dit en alles daar tussen in. Dus de socio-economische groep van middenklasse tot de arme klasse maar dan in contact met instellingen. Die instellingen zijn meer gericht naar de middengroep dan naar de armere groep.

Onze samenleving normeert en disciplineert ook. Die normen en verwachtingen zijn zeer hoog en wat gebeurt er met die groep die uit de boot valt? Sociale uitsluiting is ook een thema naast armoede (niet gehoord worden, je weg niet vinden in het onderwijs, niet kunnen doen wat je wilt, de veeleisende arbeidsmarkt,…).

Jongeren voelen aan dat ze er niet bijhoren en voelen ook wat kwaadheid. Indien er met die jongeren een traject wordt afgelegd dan ebt die kwaadheid weg. Die kwade energie wordt dus positiever omgezet, er kan iets mee gedaan worden, er kan iets mee veranderen.

Als we met actieve participatie met jongeren bezig zijn merken we dat ze nu positiever staan tegenover de samenleving dan voordien. Eigenlijk is er nog niet zoveel verandert op structureel niveau, maar toch is de binding tussen die jongeren en de maatschappij al verandert.

Hoe meer politiemannen er op straat komen hoe verder de jongeren komen te staan van de samenleving, hetzelfde met die GAS-boetes. Er moet dus meer gewerkt worden met buurtwerkers.

Overheden moeten meer investeren in mensen die de link leggen tussen die jongeren en de samenleving. Jongeren moeten leren hoe een samenleving werkt en hoe ze eraan kunnen deelnemen. Er moet complementair gewerkt worden, iedereen heeft zijn eigen taak, zowel de politiemensen als de buurtwerkers.

Jeugdwerk moet een plek zijn waar jongeren zich goed voelen, waar kinderen en jongeren wel een positieve band hebben met de jeugdwerker. Jeugdwerk kan dat effect hebben, waar mensen meer vertrouwen hebben in de samenleving en mensen minder verbitterd zijn.

De doelgroepen
In Lokeren zijn dat bijvoorbeeld vrij veel jongeren waarvan de grootouders van Marokko afkomstig zijn. Dit is een stuk toevallig in de zin dat Turkse gemeenschap in Lokeren veel beter georganiseerd is dan de Marokkaanse gemeenschap. De nood bij de Marokkaanse gemeenschap is het grootst. Die groep wil zelf uitbreiden, groter en diverser worden. Er is zeker ook contact met ander groepen zoals de Vlaamse jongeren en de Turkse jongeren. We zitten ook in de jeugdraad, we proberen dus ook steeds de brug te leggen met andere verenigingen.

Uit De Marge ondersteunt een 100-tal verenigingen die lid zijn, de doelgroepen zijn heel divers. Het gaat onder andere om groepen van de Marokkaanse gemeenschap, groepen uit de generatie-armoede,… . Je merkt dus wel de enorme diversiteit van de samenleving. Zo zijn er ook veel nieuwe groepen zoals Spanjaarden en Italianen die naar hier migreren wegens de crisis. Het is dus telkens weer zoeken naar het thuis voelen en veiligheid. Die maatschappelijke kwetsbaarheid is de rode draad.

Veel groepen kennen elkaar niet en hebben vaak vooroordelen over elkaar. Toch komen er vaak dezelfde signalen uit deze groepen, er zijn dus gemeenschappelijkheden. Dit is een uitdaging naar de toekomst toe.

Welke doelstellingen streef je na in je werk i.v.m. kansen voor jongeren?
“De verwachtingen naar kinderen en jongeren zijn gigantisch, de economische druk stijgt. In een geglobaliseerde wereld moeten de loonkosten en de productiekosten omlaag en de productie moet hoger, dat wil zeggen dat de mensen beter moeten presteren. Dat weerspiegelt zich in het onderwijs. Werken aan individuele talenten wordt meer en meer aangemoedigd. Er is minder ruimte voor die andere bekommernis: ’hoe kunnen wij er voor zorgen dat iedereen zich in een klasgroep goed voelt, een plekje krijgt en zijn ding kan doen’. Neen, het belangrijkste zijn de individuele talenten. Het gaat dan nog over een specifieke soort talenten: wiskunde, taal, enz. … . Eigenlijk al van heel jongs af voelen kinderen: ’ik hoor er bij of ik hoor er niet bij, ik kan mee of ik kan niet mee’.”

Dan zijn er ook nog de labels die erbij komen, vooral bij de middenklasse. Er hing een artikel uit in de school van mijn kinderen waarin stond dat een kind uit de middenklasse 15 keer meer kans heeft op een label dan een kind uit de armoede. Het gaat over labels zoals autisme, ADHD, dislectie, enz… . Dat heeft heel veel te maken met de middenklasse ouders die bezig zijn met het feit dat ze hun kind door het secundair moeten krijgen. Dus zoeken ze daarvoor labels zodat hun kind er door komt. Ik heb bijvoorbeeld een nichtje dat het label ADD heeft gekregen want ze is een dromer. Ik denk daarbij: “ Ze is 14 jaar, dus dat is niet zo uitzonderlijk, dit is typisch voor die leeftijd”. Nu moest ze voor iedere examen periode medicatie nemen waardoor ze minder droomt en haar resultaten dus duidelijk verbeteren. Ze geraakt dus haar secundair door en volgde een verpleegsteropleiding. Dit is allemaal fantastisch, maar waarom is dat via die medicatie moeten gebeuren? Volgens mij is dat zonder medicatie perfect mogelijk, maar die prestatiedrang leeft heel erg bij de middenklasse. Mensen uit armoede merken vooral die sociale uitsluiting veel meer en worden veel sneller doorgestuurd naar bijzonder onderwijs.

Er is de verwachting vanuit de arbeidsmarkt en er is in Vlaanderen een vrije schoolkeuze wat er voor zorgt dat er een enorme concurrentie is tussen scholen (wij willen de beste leerlingen, we willen geen slecht imago). In Lokeren is er bijvoorbeeld een school die systematisch leerlingen van Marokkaanse origine buitenzet, binnen een paar jaar zal dit dus een heel grote groep zijn. Dus je merkt wel dat mensen heel hard zijn voor de jeugd, vooral voor jongeren tot hun 18 jaar. Jeugdwerking moet een andere plek zijn. Daarom ben ik op mijn hoede als men bezig is over dat competentiewerken in het jeugdwerk. Dan denk ik “we gaan toch niet het zelfde doen”. Laat ons een andere plek zijn dat wel die veiligheid biedt. Ik wil jongeren versterken maar ik wil niet dat het uitgangspunt is dat we aan die competenties gaan werken, anders krijgen we een heel andere logica in de werking. Het gaat er niet enkel om jongeren te versterken en in te passen in de samenleving, wij willen de samenleving ook veranderen en jongeren sterker maken om de samenleving te veranderen. Dat is de doelstelling van onze organisatie.

Hoe wordt contact gezocht met jongeren? Is het moeilijk om jongeren aan te spreken en te motiveren? Hoe ervaar jij dit?
Dat is geen makkelijke zaak. We hebben in de werking een vrij lange traditie. Dus een heel aantal jeugdwerkingen zijn in de jaren 70 ontstaan uit buurthuiswerk, vanuit OCMW’s, vanuit migrantenwerk. Die werkingen met die lange traditie die hebben met de kinderen en de kleinkinderen van hun oorspronkelijke doelgroep compleet geen moeite, dat wordt doorgegeven van generatie op generatie.

De nieuwe groepen echter, dat vormt een uitdaging, ook zeker omdat jongeren hun jeugdwerking claimen, dat heeft te maken met de identiteitsontwikkeling. Jongeren kunnen zich bijvoorbeeld moslim voelen en eigenlijk zoeken naar gelijken, dat is dus zeer moeilijk om die jeugdwerkers daar dus in te brengen. Ook als er in het land van oorsprong conflicten zijn, kunnen die conflicten mee komen bij de werking.

Anderzijds zijn er groepen van nieuwkomers die minder in een gemeenschap zitten, die meer individueel zijn en het is heel gemakkelijk om hen te bereiken. Zij zijn vragende partij, zij vragen “doe iets met ons”. Ze willen iets doen om te kunnen integreren en dat is ook goed voor hun dossier. Dat is dus de meest gemakkelijke groep om mee te werken.

Er zijn ook groepen die zeer moeilijk te bereiken zijn, bijvoorbeeld Roma-jongeren. Met hen werken betekent op straat gaan, dat is heel veel geduld hebben, heel veel praten en heel veel contact leggen. Het is ook moeilijk om met onze achtergrond te komen in het perspectief van de Roma, dit is trouwens een verkeerde term want het gaat eigenlijk om meerdere groepen. Dit is dus zeker een uitdaging.

Wat wordt er dan gedaan? Jeugdopbouwwerkers gaan de straat op om jongeren te ontmoeten, met hen te praten en contacten te leggen. Vandaar uit zien zij welke groep het meeste nood heeft aan begeleiding, en waar vind ik trekkers om zelf leider te zijn. Het vindplaatsgericht werken is zeer belangrijk, maar kost veel tijd. Het is moeilijk om een vertrouwensband op te bouwen.
Groepen met de meest gekwetste jongeren zijn het moeilijkst om bindingen mee op te bouwen. Zij hebben weinig vertrouwen in de maatschappij en voor hen betekent de jeugdwerker de maatschappij. Het duurt dus lang voor het vertrouwen is opgebouwd.

Samenwerken met bestaande organisaties. Soms is er een heel duidelijke nood en vragen jongeren om een aanbod. De organisaties en steden kunnen verder bouwen op die vertrouwensrelaties die al bestaan door de vindplaatsgericht werker. Met jeugdwerkers werken is zeer belangrijk. Met vindplaatsgericht werkers werken is ook belangrijk omdat jeugdwerkers altijd gekoppeld zijn aan lokale reglementen. Hierdoor zien we ook dat er soms wat spanningen zijn tussen de groep en de jeugdwerker, bij vindplaatsgericht werken is dit niet omdat dit niet gekoppeld is aan die regels. Onze jeugdopbouwwerkers werken ook met de manier van vindplaatsgericht werken.

De laatste groep bij ons aangesloten werken samen met de instellingen bijzondere jeugdzorg. Dit is ook een zeer makkelijke groep aangezien ze graag veel jongeren meesturen op kamp.

Op die manier zien we ook welke groepen er steeds uit vallen. Wat we ook zien is dat hoe meer een overheid zich op cijfers richt, hoe meer ze naar de gemakkelijke groepen gaan.

Op welke manier nemen jongeren volgens jou deel aan de maatschappij (verenigingen, familiaal, politiek,…)?
Jongeren zijn sterk vertegenwoordigd in het verenigingsleven, denk maar aan de scouts en de speelpleinen. In de politiek ligt dit iets moeilijker, er is een te grote kloof tussen de jongeren en de politiek. De groep waar wij mee werken, neemt nauwelijks deel aan het politieke leven. De link die er is tussen jongeren en politiek is niet voldoende. Er is geen aanbod voor deze grote groep. De oorzaak hiervan wordt vaak bij de jongeren gelegd, het zijn moeilijk bereikbare jongeren.

De ontzuiling heeft hier ook iets mee te maken, dit zorgt voor moeilijkheden. Het jeugdwerk heeft zich naar een methode vertaald. De jeugdverenigingen zijn niet meer rond een sociale klasse georganiseerd, jeugdverenigingen zijn er nu voor “iedereen”. Als je er voor iedereen probeert te zijn ga je juist een deel verliezen. De link met maatschappelijke thema’s is minder. Uiteindelijk zullen het vooral jongeren zijn uit de middenklasse die naar de jeugdbewegingen gaan, de armere klasse voelt zich sneller niet thuis. Dit wil niet zeggen dat dit niet leeft bij de jeugdbewegingen, er zijn echter veel verschillende visies. Men moet zich niet enkel op lokaal niveau engageren maar voor hele groepen. Er moet een aanbod zijn op maat voor maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren.

Mieke Nolf (panel, midden) in dialoog met jongeren tijdens de Volksuniversiteit op 30 september 2012 in Willebroek.

Het familiale engagement is veel meer aanwezig, we denken daarbij ook aan de banden tussen vrienden en buren. Dit is belangrijk om te weten voor stadsplanners. Politiek is veel te ver van hun bed. Koploperstrajecten is een druppel op een hete plaat, er moeten bruggen gebouwd worden. Door gewoon affiches rond te hangen doen de partijen verkeerd, alles zou veel systematischer moeten gebeuren. De politieke partijen moeten de buurten in trekken, er moeten politieke buurtwerkingen zijn. Mensen moeten dichter gebracht worden bij de maatschappij want wantrouwen kan de samenleving ondermijnen. Mensen moeten meer medezeggenschap hebben in hoe een samenleving gemaakt wordt. Er moet een samenleving ontstaan van vertrouwen, met minder agressie en overlast.

Denk je dat jongeren vandaag veel kansen krijgen om actief deel te nemen aan de maatschappij? Wat zijn obstakels? Wat zijn oplossingen?
Jongeren vandaag krijgen niet veel kansen. Het onderwijs focust zich op vaardigheden voor de arbeidsmarkt, via onderwijs wordt niet aan maatschappelijke participatie gewerkt. Voor politieke partijen en verenigingen is het belangrijk om aanwezig te blijven en weet te hebben wat er bij de mensen leeft.
Vandaag is politiek marketing geworden, er wordt bij wijze van spreken vooral verkocht maar moeilijk waargemaakt.

Hulpverleners leren veel theorie en hebben een beeld over hoe opvoeding moet zijn. Maatschappelijk werk is echter meer dan techniek en vaardigheden, er is ook een beeld over de maatschappij aan gekoppeld.

De verwachtingen op maatschappelijk niveau zijn enorm en toch wijzen we constant met de vinger (ben je een goede opvoeder, burger).Je krijgt het idee dat er één goede vorm van leven is, is dat wel zo? Het constant in vraag stellen is een reflex die te weinig gebeurt, er is te weinig discussie over het normatieve. Je eigen kijk op de samenleving zou doorheen je werk moeten zitten. Er moet discussie geopend worden in de hulpverlening.
Mensen in armoede ontwikkelen eigen oplossingsstrategieën die voor ons vreemd kunnen lijken. Toch mogen we deze niet zomaar veroordelen en wegschuiven, we moeten er uit leren en de klik maken met onze kijk en de kijk vanuit de kansarmoede. Mensen in armoede moeten betrokken worden bij het zoeken naar oplossingen. Het gaat verder dan dat, want iedere discussie over armoede is ook een discussie over rijkdom. Een voorbeeld hiervan is de herverdeling van rijkdom, wat vaak een moeilijk punt is.

Hoe was jouw ervaring met de VU van 30 september 2012 (’Een toekomst voor alle jongeren’)?
Het was fijn om jongeren te ontmoeten tijdens de volksuniversiteit van 30 september. Wat mij boeide was de brug tussen expertise en traditie. Het transitiethema vond ik zeer interessant. Wat mij aangreep waren de verhalen over de plaatsing van kinderen tegen de wil van de ouders.


Een samenvatting van dit artikel vindt u in het VierdeWereldblad van maart-april.