Rechten en plichten

Mensenrechten volgens Joseph Wresinski en Simone Weil

Artikel geplaatst 21 november 2008 Print Friendly

Het idee van de rechten van de mens is een wankel bouwwerk. Staten ondertekenen de Universele Verklaring wel maar leggen met veel gemak de Rechten van de Mens naast zich neer. Hoe komt dat toch, die grote kloof tussen wat verkondigd wordt en wat de realiteit toont? Antwoorden zoeken we in de erfenis van Joseph Wresinski, stichter van de Internationale Beweging ATD Vierde Wereld, en bij de filosofe Simone Weil.

Ondeelbaar

Joseph Wresinski hamerde altijd op de ondeelbaarheid van de rechten. Wat heeft iemand aan het recht om een gezin te stichten als hij of zij dat gezin geen waardig dak boven het hoofd kan bieden en geen middelen
van bestaan heeft? Laat je toe dat sommige rechten vertrapt worden,
dan stort het hele bouwwerk in. Maar wordt die bouwvalligheid ook niet veroorzaakt door een constructiefout? Joseph Wresinski vond het nodig om het idee van de rechten van de mens vanuit de kern ervan te herdenken, vanuit een andere invalshoek: de verantwoordelijkheid
van de mens. Onze verantwoordelijkheid is de basis voor de rechten van de anderen. En omgekeerd.

Het gevoel nuttig te zijn

Hoe ver reikt onze verantwoordelijkheid?
Ze moet tegemoetkomen aan de fundamentele noden van de ander. En dat is het punt om te luisteren naar de armsten: wie nood lijdt is best geplaatst om te weten wat levensnoodzakelijk is. Uiteraard gaat het hier om meer dan om het materiële. Verantwoordelijk zijn is bovendien niet louter een plicht maar ook een behoefte. Het gevoel nuttig en zelfs onmisbaar te zijn voor anderen is iets waar iedereen nood aan heeft. Ook wie arm is moet verantwoordelijk kunnen zijn.

Een recht werkt niet uit zichzelf

‘Een recht wordt niet waargemaakt door degene die het bezit, maar door andere mensen die zich tegenover hem of haar tot iets verplicht
weten’, aldus Simone Weil.
Rechten zijn relatief omdat ze altijd gerelateerd zijn aan plichten. Eerst is er de verplichting en dan pas het recht.
Simone Weil verwijst naar 1789 (Franse Revolutie). Men heeft toen van het recht een absoluut principe gemaakt. Dit veroorzaakt tot op de dag van vandaag spraak- en ideeënverwarring die mee aanleiding
geeft tot politieke en sociale verwarring.
Als het recht opgevat wordt als een principe mag ik, zoals het mij uitkomt, het ene of het andere recht doen gelden. De overwaardering van het ene recht, bijvoorbeeld het recht op vrijheid, kan dan een ander recht, bijvoorbeeld het recht op economische zekerheid in de verdrukking brengen.

Door er steeds aan te herinneren dat er slechts rechten zijn in relatie tot de verantwoordelijkheid die elke mens met elke andere mens verbindt, krijgen de Rechten van de Mens hun samenhang terug, hun stevigheid en vooral - Joseph Wresinski
kwam er altijd op terug - hun ondeelbaarheid.

« Initiatief en verantwoordelijkheid, het gevoel dat men nuttig is en zelfs onmisbaar voor anderen: dat is voor de ziel van de mens een vitale behoefte. Wie werkloos is, mist dat grondig, ook al wordt hij/zij ondersteund om te kunnen eten, om zich te kleden en om een onderdak te hebben. In het economisch bestel betekent hij niets en zijn stembrief, als teken van zijn deelname aan het politieke bestel, heeft voor hem/haar geen zin. Een ongeschoold arbeider staat er amper beter voor. Om aan die fundamentele behoefte te voldoen, moet een mens dikwijls beslissingen kunnen nemen inzake problemen - grote of kleine - die anderen betreffen en niet louter zijn eigen onmiddellijke
belangen, maar waarvoor hij zich niettemin verantwoordelijk
voelt […] Elke gemeenschap, onder welke vorm dan ook, die er niet voor zorgt dat aan die behoefte van haar leden wordt voldaan, is verdorven, en moet worden omgevormd
».
(Simone Weil, 1909-1943)

(vertaling citaat: G. Maes)

Deze tekst is gebaseerd op een artikel van Martin STEFFENS in de Revue Quart Monde 2007, nr. 204, 25-30 en is gepubliceerd in het VierdeWereldblad, nr. 159 van september-oktober 2008. Klik hier voor de PDF-versie.

Bewerking: M.T. Poppe